Dries zat tegen de schùtting op de harmonica te spelen.
Z’n breede, stevige knuisten knarsten het ding heen en weer. Jenkerige galmen, zeurig klagend als een hond bij ’n draaiorgel, slierden de kamer binnen, kropen het zandstraatje over, zakten met slappen cadans naar den breedmullen weg.
Gebogen over ’t groenhelle onderdeurtje luisterde Aagje, ’t ouwetje met rimpelgelaat en haren zoo wit als ’r muts. Ze knikte en lacherde stil, mummend ’t vreemd kinnebakje, aarzelend kauwend op wat ’r niet was.
In ’t zand, kruipend en wrikkend, de spekkrige beentjes morsig vergrauwd, ’t mondje omhoekt van nat-plakkend zand, de koontjes bewreven, de handjes besmeurd, modderde zoetjes en ernstig Jannie, de jongste.
Moeder, haastig nou wasschend den rommel, de vettige borden, de ijzeren vorken, plassend en spoelend in ’t sopje dat glibberig schuimde, keek langs het raamhor.
Tegen het overzijdak, nieuw van roodbruine pannen, ketste het zongoud, vloeiend naar ’t raampje dat smoorde en hijgde van purper gevlam.