168 VAN HET PAARD, DEN GEPIJNIGDEN FALKLAND.
Strompelend, pijnlijk, passeerden we de goddelooze roulette — u weet de schandespeelbank der Scheveningsche pier. Wij hijgden. We hadden twéé gulden. Als we verloren moesten we op het paard-in-vogel-vlucht om een twééde heviger ellende door te maken. Wij zetten vijftig cents in — verloren. Wij zetten andermaal vijftig cents in — verloren. Wij zetten nog eens vijftig cents in — wónnen. Eer we ’t wisten hadden we zeven gulden verdiend. En daarmee wegdruipend als dieven — ja als dièven: Anders gevoel je je niet — strompelden wij naar den paarden-eigenaar, betaalden dien, zochten een café met een zachten stoel. Ik wil nu alleen nog maar zeggen dat een speelbank een slecht en verderfelijk ding is, dat te recht tegen deze instelling wordt geadresseerd, maar dat een auteur met gerekte beenspieren, blaren aan de schenen en een doorgereden onnoembaar lichaamsdeel, alle góden zegent als de roulette hem den rit terug — den eindeloozen rit — bespaart. Nee, wij boekmenschen zijn stoelvast geschapen.