DE SPEELBANK
niet — op ’n paard — dat matig draaft. Zijdelings evenmin. Ik betwijfel zelfs óf je kijkt.
Zoo nu quasi-analyseerend op den prettig stil-staanden stoel, dien ik ónzittend be-zit, vermoed ik dat ik twee en half uur lang gekeken heb, maar onder eede zou ik het noch durven, noch kunnen. Er lijkt mij iets bijgebleven van geel-wazende duinvlakten, grijswijdend water en meer streeperigs, ver-dwijnends, verdansends. Wel onthou je het paard in vogelvlucht, in de lamme, malle ooren-, manen-, haren-, hoofdstel-, zadel-vogel vlucht. Wél voel je de blaren aan je stukgereden schenen. Stijgbeugels diende men althans te watteeren. Wél voel je, als je na twee en een half uur matig gedraafd te hebben, de badgasten van Scheveningen op ezels voorbij-schimt, dat er iets fataals geschied is met het onnoembaar lichaamsdeel, dat als reeds gezegd, lichaamsdeel blijft en dat elk auteur ten zeerste behoeft, daar óns geen voorbeelden bekend zijn van auteurs die staande wrochten.
Toen we eindlijk uit het zadel zakten, te stijf van been en beendren om ook maar met een schijn van jeugd een spring-gebaar te verschalken, bevonden wij ons in geradbraakte positie. Wij mankten als een piano op drie sokkels. Wélk normaal, gezond mensch is geschapen om op die wijze gerekt, verwijd, verwrongen te worden? Het is Zander-instituutsch op z’n schandaligst en geforceerdst. Maar ’t ergste wachtte. We hadden in onze bui van overmoed en dwaasheid met den paardeneigenaar voor heen en terug geaccordeerd. Als we den man betaalden en bléven, behielden we een paar gulden om per spoor terug te gaan, te ontbijten etc. Wanneer je nu met kreunende beenen, beblaarde schenen en meer beblaards over de pier wandelt en denkt aan wat wacht, dan onderga je iets héél benauwds.