DE SPEELBANK
heid van dien éérsten probeerder, heeft ’m er natuurlijk met of zonder trap afgesmeten. Waarom heeft die éérste beklauteraar van het éérste paard (in oertijden) het zaakje niet opgegeven? Hoe vermogen wij de fatale taaiheid van dien éérsten mensch, die geen zadel, geen stijgbeugels kende, verklaren? Een paard ziet er toch thans, zóóveel eeuwen na de oer-periode, niet uit als een b e r ij d-baar wezen. Wie lost dit op? Waarom een paard en geen koe? Waarom een paard en geen stier? Het is niet in den haak. Er moet in lang-gestorven tijden iets bestaan hebben tusschen mensch en paard, iets dat den mensch verlokt heeft er op te gaan zitten, zooals wij thans op een sofa of fauteuil kruipen. Zoo maar uit de lucht gevallen is geen man op ’n paard. Het blijft raar. Waarlijk. De eerste man die at, had honger. De eerste die dronk, had dorst. Maar die eerste op ’n paard had óverdwaze, positief-onverklaarbare zit-neigingen. In de orde der Dingen is het niet. Wij dan, na ons éérst tochtje van de badstoelen naar de sluizen en werom, geleid door een jongen die de teugels vasthield, daarna goedkeurend losliet, wij, dóór het logische heen na het schuchter bewondren der huzaren (te paard) en daaglijks onder suggestie van boerenjongens met klompen (zoo maar op ’n öngezadeld paard), wij dan besloten contra de orde der dingen (die we tóén te vluchtig schakelden) een tocht te maken. We waren in die dagen op Katwijk en de Scheveningsche pier leek in ’n vloek en ’n zucht nabij.
»Meneer,* zei de man-van-de-paarden: „je rijdt al heel best. Alleen mot je je schoenen niet hééle-maal in de beugels wringen. Want dan zit je vast as ’r wat gebeurt. En makkelek rij je ’t an in ’n anderhallef uur. Je draaft is en je gaat weer is stapvoets. Je ben d’r éér je ’t weet” ....