162 VAN HET PAARD, DEN GEPIJNIGDEN FALKLAND,
heid. Er zijn dwaasheden in soorten, grappige, jeugdige, uiterst lachwekkende, uitgelatene, halstar-rige, vergeeflijke — maar, zoo ik mij niet vergis en niet te zeer psychologische waarnemingen verhansel: door iedre dwaasheid loopt eene lijn van logica, wat haar (vermeen ik alweer) van meer positieve idiote handelingen onderscheidt. Welnu, het spijt mij zulks publieklijk te moeten analyseeren — onze absurde dwaasheid miste de flauwste logica-aandui-ding. Als men een afstand van beteekenis wil afleggen, neemt men bij gebreke aan een modernst vervoermiddel een rijtuig. De rug van een koetsier of het achterdeel eens paards zijn huiselijk, vertrouwlijk. Het zélf besturen van een bakje nadert de Romantiek, is eenigermate abnormaal, wisselvallig. Daar liggen meer keisteenen en hindernissen op een weg dan waarvan je droomt in het bakje, achter den koetsiersrug. Tragischer evenwel, benauwd óver de Romantiek heen, vastgebaggerd in het kleverigst Realisme, het viest Naturalisme, het gruwlijkst onleesbaar gedoe (voor familiekringen etc.), wordt het geval als de waanzin (ziedaar dan het woord!) je besluipt ’t op een paard te probeeren. Ik geloof niet dat het in de orde der dingen ligt dat mensch en paard zich op diè wijze aan elkaar wagen. Voor een mensch is het — ge kunt me op m’n woord gelooven — géénszins goed, voor een paard kan het niet anders dan uitermate zonderling sensationeeren, wanneer zich een zwabberend ding op z’n rug balanceert dat er niet op behoort. M’n hemel het is in één woord onzinnig, onnatuurlijk. Hoe is, tob ik thans, ónzittend zittend, de combinatie ontstaan ? Eéns moet ’n eerst (absurd) mensch op ’n paarderug zijn geklauterd — in oertijden. En dat eerst beklauterd paard (pèrd zou ik bijna melankoliek zeggen) verbijsterd door de driest-