DOMME DIENSTMEID.
met lichte aarzelingen: „nou geven ze den raad — wil je niet is wat drinken? — nee? — om — om je in ’n brancard te laten vervoeren” ....
„In ’n brancard”.... schrikte de meid nu ópstut-tend en de elbogen in het kussen borend — „in ’n brancard?” — d’r bleek gelaat puilde het bedstee-donker uit — d’r haren slierden om d’r hoofd zóo als ze koortsbeefde of zóo als ze schrikte.
„Zè zèg ’t niet,” sprak mevrouw: „de menschen van ’t gasthuis zeggen ’t — en dan zou de politie” ....
„De politie,” herhaalde de meid — en genoeg wetend zakte ze huilend in d’r bed terug.
„In elk geval haast heeft ’t niet — maak je maar niet bezorgd — we zullen nog wel ’n poosje de kat uit den boom kijken,” trooste mevrouw.
Lang werd de kat niét uit den boom gekeken. U begrijpt dat. En we willen hiermee de weduwe die kamers verhuurde niet blameeren.
De advocaat mopperde dat er niet behoorlijk op de brievenbus gelet werd, de ambtenaar beliefde geen aardappelen die ’n kwartier hadden afgestaan, de onderwijzeres bedankte er voor twee-, driemaal te moeten schellen voor er iemand kwam.
Het was heel onpleizierig dat Geertje ziek lei,— daar had de advocaat geen rekening mee te houden. Er waren meer meiden op de wereld. Kortom — Falkland behoeft dit niet nader uit te spinnen — al deze zaken zijn gewoon en banaal tot in het hinderlijke — op een dag bleef de weduwe nog wel tien minuten aan het telefoneeren — de telefoon zei beslist een daalder per dag en geen cent minder. Vervolgens zei de telefoon — van een ander nummer wel te verstaan — dat er een rechercheur zou komen. Vervolgens onderhield de weduwe zich in het spreekkamertje met dien rechercheur, die haar wees op het onvermijdelijk schandaal van een