DOMME DIENSTMEID. 15 7
met een brancard en wat met een brancard werd aangebracht werd liefderijk opgenomen. Mevrouw schelde af, peinsde een oogenblik, vroeg opnieuw aansluiting met het Wilhelmina-gasthuis. Maar de andere gasthuis-telefoonstem zei in hoffelijke bewoordingen hetzelfde. Vroeger was er zooveel misbruik van de gasthuizen gemaakt, dat alle gasthuizen dezelfde gedragslijn volgden en geen gratis-patiën-ten opnamen, tenzij alweer met de brancard aangebracht.
Mevrouw schelde af, keek bedrukt, rekende de som nog eens na, vroeg ten derdemale aansluiting met het Roomsch-Katholieke Ziekenhuis: ’t zelfde antwoord, ’t Bleef om en om honderdvijftig gulden. Die had ze niet. Misschien had ze wél ’n Amster-damsch lootje liggen of ’n sommetje van geen zware beteekenis. Maar dan nog in deze onrustige tijden spendeer je je laatste centen niet aan je zieke dienstmaagd, die, hóé je ’t ook rekent dienstmaagd blijft en misschien morgen, als ze gezond is, voor ’n kleine kwestie d’r dienst opzegt.
Mevrouw beklom voor de vierde maal, dien dag, de lange nauwe trappen.
Geertje sliep.
„Geertje,” riep mevrouw haar vriendlijk op den arm tikkend —: „Geertje ’k heb getelefoneerd* .. ..
„Ja mevrouw,” antwoordde de meid suffig.
„ .... En ’t kost ’n daalder per dag” ....
„Zoo,” soesde de meid die liever maar liggen bleef — te moe om te spreken.
„En ’n daalder kan ik niet bekostigen,” praatte mevrouw vriendelijk: „je weet op wat voor kosten ik zit”....
„Ja, ja,” knikte de meid in de bedstee, dof kijkend naar mevrouw’s lieve gezicht.
„ .... Maar nu geven ze den raad,* zei mevrouw