DOMME DIENSTMEID.
amper an en nou de meid al tien dagen hard ziek: je vijanden zou je minder toewenschen. De schoonmaakster viel wel ’n vrij uurtje in, wiesch ’s avonds de vaten — maar op den duur kón 't niet. Gister had de onderwijzeres ’r thee op ’t nippertje gekregen — vanmorgen was de ambtenaar met óngepoetste laarzen naar z’n bureau gegaan.
’r Móést ’n stokje voor gestoken worden.
Geertje was ’n beste meid, ’n bijzondere handige meid, maar alles alleen doen ging niet langer.
Mevrouw’s houding wasjdus noch ongevoelig, noch onlogisch. Zittend naast de bedstee praatte zij vriéndelijk.
„Heb je hier familie, Geertje?"
„Nee,” zei de meid loom van stem.
„Dan zal ik is telefoneeren,” zei mevrouw.
En goedig, zachtjes hoofdschuddend — ’t ging haar aan ’t hart — stapte ze de trappen af.
De advocaat was uit, de advocaat had ’n telefoon.
Eerst schelde ze ’t Binnengasthuis op, verhaalde van de zieke meid, die volgens den dokter wel drie maanden noodig had om te beteren, die geopereerd zou moeten worden enz., vroeg beleefd om ’r op te nemen. Zij zou wel voor een rijtuig zorgen.
De gasthuis-telefoonstem zei dat ’t zoo maarniet ging, dat alleen als mevrouw zich verbond volgens tarief een daalder per dag verpleegkosten te betalen, de deuren van het ziekenhuis openstonden.
Drie maanden lang een daalder per dag is H o n-derd vijf en dertig gulden. Met zooveel geld smijt geen weduwe die leeft van kamersverhuren, ook al is haar hart excellent.
Mevrouw bepleitte dringend het geval: de gasthuistelefoonstem expliceerde dat geen gasthuis meer gratis verpleegde, tenzij de politie de zieke ergens op een stoep vond. In zóó ’n geval kwam de politie