De wagen-wielen dreven als grommende walsen het stof van den weg.
Moeder, moeilijk-geschurkt tusschen de zakken, de klompen-voeten tegen ’t oudroest, de eene elboog op de bloedrige gonje waarin de stinkende botten leien, de andre op de baal vodden — ’r rug wier gesteund door *n oud matras — zat drensig te loddren.
D’r rok met de morsige voeringslierten, bebeefde bij eiken schok van de wagenveeren de spichtige knieën, ’r handen geplet onder de borsten, drilden vinnig bij rt knersend geschud dat de botten dee romlen en ’t oudroest piepen als wier ’t gevijld.
Maar in die schrik’lijke hétte, de hette die uit den open hemel-bek gulpte, de hette die knotwilgen en gras en greppels zoo bleekte, zoo knerstandend bebroeide dat de blaadren staroogend schrompelden, de weiden zwijmden in dorre verschikking, ’t water in kruipende krimping vluchtte — in die angstige hette met aangrauwende onweerskoppen naar de zij van de stad en fel-witte luchtstrakheid bóven, was 't zitje tusschen de vodden, ’t oudroest, de botten nog zoo kwaad niet.
Slaaprig liet ze ’r hoofdje wiegen, ’r geelrimplig hoofdje en de brilleglazen ketsten knikklend ’t licht,