SALON DE COIFFURE. 145
„Hou je stil!" lach-brulde de meid.
Ik zette ’n pèt op.
Den heelen Zondag hield ik m’n kamer. Je toonen ging niet. En den volgenden morgen vróég op de fiets, haastte ’k me naar den barbier, de pet over m’n ooren, de jaskraag hóóg op.
Hij had net drie lékkere kinderen onderhanden.
„Wat heb ’k nóu an-de-hand!”, zei-die verbaasd.
„Zoo knippen ze in de Stad,” loog ’k, om ’m te paaien.
„Tegenwoordig noemt alles zich kapper,* zei hij ernstig-verbolgen en smakte ’n geel-gore haarbos tegen den grond....
De moraal is — in lang heb ’k geen moraal getrokken — dat ’t makkelijker is wilde-auteurs-haren te hebben dan ze te knippen.
Schetsen Falkland. VII.