I40 SALON DE COIFFURE.
„Dan ga je ’r niet meer heen,” zei m’n vrouw — wat ièdre vrouw zou gezegd hebben.
„Moet ’k dan wachten tot ’k weer is naar Amsterdam ga — of wil jij tot zoolang papiljotten in m’n haar draaien?”
„En je heb ’n tondeuse,” weerlegde zij: „knip je dan zélf” ....
„Jawel, een, twee, drie!”
„Ach kom!*, knorde m’n vrouw: „zóó moeilijk is ’t niet. Ik heb vroeger wel is ’n poedel met ’n tondeuse geschoren — ’t gaat vanzelf” ....
„Jawel” ..., aarzelde ik.
„Je kan zoo vanmiddag geen visite ontvangen — je ziet ’r gewoon schandelijk uit — kijk eens wat *n pieken!” Ze had gelijk. De vorige maal scheen de barbier, dien ’k in z’n etenstijd gestoord had, artistiek gewerkt te hebben. Mijn hoofd had iets van Zwitserland — bergen, dalen, afgronden.
Je ver-boert,” hoonde m’n vrouw: „de slager is meer gesoigneerd dan jij.”
„Zou je dat denken?”, mijmerde ik, bij de toilettafel de tondeuse bekijkend die me zes gulden vijftig gekost had.
„Natuurlijk,” zei ze.
„Vijf of drie milimeter?”, vroeg ik.
„Vijf op zij en van boven lang laten” ....
,,’k Wou dat ik vróuw was,” zuchtte ik: „jullie hoeven niet geschoren te worden, niet geknipt, niet” ....
„Wou je ’t hiér gaan doen?”, interrumpeerde zij.
Ja, ’k zat al voor den spiegel, bereid ’t te probeeren.
„Wel zeker! Op Zondag dat haar op ’t pas gewreven zeil! Nee toe — ergens anders” ....
„Waar dan!” zei ik obstinaat: „je zeil is óveral pas gewreven!”....