SALON DE COIFFURE. 139
Mijn beurt kwam, mijn beurt als meneer en tién-centsklant. M’n bulletjes — mes, kwast, zeeppot, antiseptische steen — werden uitgepakt — een schoone handdoek neergelegd en omstrooid door ’t uitgeplozen teertouw der schipperskinderen, onderging ik het procédé, ’t plattelandsgeschraap met ’n mond vol zeep en neusgaten wit van schuim.
„U mag wel weer geknipt worden,” zei de barbier, ’k Had m’n éigen tondeuse, kam en borstel meegebracht, was voornemens opruiming te houen maar ’t gestuif van ’t haar naast me en de visie van nog ’n paar kinderen die geholpen moesten worden en om beurten gebaren maakten, dee me bedanken. „De volgende week, als ?t minder druk is,” zei ik. „Anders ’n oogenblikkie werk,” zei de patroon. Ik wiesch me, wreef me na met den desinfectee-renden steen, beglimlacht en bestaard door nieuwe klanten. Ja — ja — stadslui hebbe raar gedoe....
Het was Zondagmorgen én warm. Na de gure vlagen sloeg de zomersche warmte op je zwaarlijvigheid neer als ’n stoombad.
„Nou wist je,” bromde m’n vrouw: „dat we visite krijgen en je lijkt ’k-weet-niet-wat. Was ’t zöo’n moeite om je te laten scheren en knippen ? Je ziet ’r in één woord schandalig uit !”....
„’t Schikt nog al,” zeide ik.
„Nee ?t schikt héélemaal niet,” betoogde zij: „van je kleeren zeg ’k niks meer — die zitten dadelijk vol vlakken — maar je kin” ....
.... „’k Héb me gister laten scheren,” lei ik uit: „in ’n dorp kan je niet beter verlangen, ’t Is mooi
genoeg dat-ie zoo wéinig heeft laten zitten!”____
„En je haar?” . ..
„’k Was vies van kinderen die geknipt werden” — ’k detailleerde éénigszins naturalistisch.