Waarlijk we weten te veel.
’t Is niet gezellig.
Welgeteld heb ’k twee en ’n hal ven doctor in m’n familie, ’n paar doctoren als vriend en bij tijden krijg ’k amikaal ’n geleerd afvalletje van een prof.
Zoodat ik reeds éénmaal in staat was een dor-wetenschappelijk betoog te publiceeren (verg. 2de Bundel, pag. 127), herhaaldelijk diverse kwalen aan ’t eigen lijf poogde te constateeren — hoeveel malen werden m’n vrouw en ik niet op gevallen vergast door medici bij *t dessert? — en nog steeds met antiseptische zaken werk als juffrouw Bout met ’t ei.
Loopen we ’n futiel wondje op, dan knoeien we slordig met sublimaat-oplossing, jodoformgaas, verbandwatten, ammonia —zeker huisdeel riekt zomer en winter naar carbol — we koken onze melk, vermijden óésters — we hebben ’n zakje an de water-leidingkraan gebonden om bééstjes tegen te houden — we slapen met open ramen, baden, zijn matig — en met dat al zonder in excessen te vervallen gevoelen we ons dikwerf griezelig door ons Weten.
Een chirurg, een doctor, een assistent van ’n Gesticht, een huisdoctor — hemel, de vrienden en familieleden in je directe nabijheid maken je zoo wijs en de eigen (zeer origineele) sanitaire beden-