DON LEANDRO FERNANDEZ DE MORESCO. 135
in het huwelijk begeven met Gonzalo, den kamerdienaar van Don Leandro Fernandez de Moresco. De avond daalt intenser (alle bovenhersen uit). Reeds heeft zich een deel van het gezelschap ter ruste begeven. Don Leandro Fernandez de Moresco mijmert een wijle met gefronste wenkbrauwen. Don Hipolito, buurman van de overzij, die juist in zijn tuinen wandelt, bespiedt den held van mijn stuk en begint argwanend te vragen hoe het staat met de gezondheid van Donna Violante, zijn geliefde. Het is alsof een bliksemschicht door het brein van Don Leandro Fernandez de Moresco schiet. Reeds den geheelen avond, terwijl al de zooeven genoemde dramatis personae hem trachten op te vroolijken, heeft hij zich verwonderd over Donna Violante’s afwezigheid. Moest zij niet de eerste zijn om hem te verwelkomen na zijn overwinning op de Moren? Don Hipolito, die reeds lang tot in het waanzinnige op Violante verliefd was, fluistert thans Don Leandro Fernandez de Moresco toe, dat Dona Quaresma Isabella de Moresco, afgaande op het valsch gerucht dat Don Leandro in den strijd gevallen was — de opmerkzame lezer zal zich herinneren dat wèl de andere zoon Gonzalo Martinez de Moresco sneuvelde — aan Donna Violante die haar zoons aangemoedigd had tegen de Moren op te trekken, de deur o n t z e i d e, hetgeen Donna Violante wanhopig in de armen dreef van Don Pero Gonzalez de Ansa.
Op dit oogenblik — het is geheel duister geworden, treedt de moeder Donna Quaresma Isabella de Moresco, voorafgegaan door den kwispel-staartenden Bajadoz in het prieel.
„O snoode moeder die mijn lief verstiet P, zegt Don Leandro Fernandez de Moresco hevig verbolgen, en in climax vraagt hij:
„Hebt gij de poort uws’ huis’ gesloten?” Donna