KRUGER HELPT BEGRAVEN. 125
En de menschen keken nog eens, sterker, zoeken-der, rondvragender, als de volgers passeerden, twee aan twee, ordlijk gereid.
Voor ’n begrafenis liepen ze niet zóó uit. DY waren ’r vier geweest van de week. D’r zouen 9r méér kommen...
Maar Kruger____
En omdat ze ’m niet zagen en er zooveel mannen en vrouwen en kinders achter den stoet bleven loopen, mee naar *t kerkhof, sloten ze zich aan, nieuwsgierig, verlangend, omkijkend, opzij kijkend, fluisterend pratend.
Alles op den weg hield stil voor zóóveel menschen.
Een schulpenkar week uit tot aan den stoeprand.
Fietsers sprongen van de in ’t zonlicht fel-sprank-lende fietsen.
Alleen, zeker stappend, dicht voor de kist, gingen twee kleuter-meisjes, mekaars handje vasthoudend, de kousjes verzakt tot op de kloppende klompjes.
Bij het graf was het bijna gedrang, zóoals ze klitten tezaam.
Achter den kerkhofmuur klommen ze op steenhoopen, keken over den schelprand.
Op een glooiing van grond, scherp van bits-om-lijnde silhouetten, stonden ze, rekkend de halzen.
Elke hooge hoed werd bespied, doch ’t bleven de óüwe bekenden, de eigen menschen van *t dorp, de veeboer, de bakker, de smidsknecht, de buren.
En toen de dominee, verlaat tóch ’t woord voerde, geloofden ze nog dat Kruger 9r was, dat z’n kop ergens tusschen de menigte keek, dat z'n omrandde oogen onder de grijze brauwen mééstaarden naar de kist die daalde, naar de kist waarop de aardkluiten gedag zeggend klopten, naar de kist waarin de Transvaler lei, de Trans-va-ler, de boer die