124 KRUGER HELPT BEGRAVEN.
zwaar-stappend naast Kriels. De jonge Boot, die geen hóógen hoed had, dies verlegener ging, had Stam voor begrafenisbuur. En Dilsen, Blaas, Groe-man, De Bas — al de bekenden van ’t dorp liepen in den stoet, plechtig van Zondags-kleedij, plechtig van hoogehoeden-betoog. —
Geen Kruger. Nee. De dominee was ’r ook niet. Eri die en die ontbraken. Maar wat dee dat ’r toe? Kruger — Kruger met z’n lijdenskop, Kruger met z’n ringbaard, Kruger met z’n hoogen hoed, Kruger die ’t heele dorp kénde, die in alle hutten en huisjes hing, Kruger voor wien de visschers zich zouen doodgevochten hebben tegen den Engelschman, Kruger liep niét achter de kist van den Transvaler.
Maar omdat ze ’m zóó stellig uit de tram hadden zien stappen én omdat ze ’t zeker geloofden, gaven ze ’t nog niet op. Wat ze nóóit deeën, deeën ze nou: achter het lijk en de volgers liepen ze mee, zachtjes-van-praten, zachtjes-van-stap. As-die niet in ’t sterfhuis, was, zou-die aan ’t graf kommen. Want begraven hielp-die. Dat was vast....
Het werd iets zéér vreemds in de dorpsstraat.
Voorop, hóóg-zichtbaar, zwartte de kist tusschen de hoeden der dragers. Iedere steeg gulpte zonlicht over de baar. In straat werd alles weer zwart dofzwart, zwart van laken en kleeding, zwart dat tegen de voorjaarslucht gromde, zwart dat alles dee stilstaan op den weg. Doch bij ’n steeg, waar telkens een zongeul de straat overiei, fleurden de hoeden met glimmen en glansjes, vlamde het dekkleed bizar-rig in het gedein der stappende dragers. Deboom-koppen keken. De huizen keken. De daken keken. Er was één starende aandacht. De heele lange dorpsstraat kéék naar de kist, naar het kleed, naar de hoeden.