KRUGER HELPT BEGRAVEN 123
— ’n kop — ’n jukkig gelaat — *n baard — ’n
hóóge hoed Ze zagen Kruger. Ze zagen hem
zooals ze hem kenden van prentjes. Nou zouen ze ’m h é ü s c h e 1 ij k zien, zien achter de kist van den Transvaler____
Eindelijk bewogen we mèe.
Het was dwaas, ondenkbaar. Maar in het paisibel dorp werkte het rumoer, het geloop, de onrust aan-steeklijk.
Op de hoeken van stegen en sloppen klitten menschen tezaam, de mannen stug-rookend, de vrouwen versch van ’t huishougedoe.
Bij het donker kleppen der klok spraken ze knik-klend en groetten mekaar.
Van uit de dorpsschool achter de boomhaag, galmde zachtdrenzend gezang en ’n hond, nerveus van al ’t ongewone, blafte met nuchter gegrom naar ’t blauwig verglijden der lucht.
Linksom was het huis. De schraag stond er voor en mannen met hoog-hooge hoeden. Timmerlui die een vracht hout hadden te lossen, waren op planken geklommen, de beenen tam-benglend, de koppen in rook van smeulende pijpjes. Boven, benee, opzij en verder de straat in, propten de dorpers, vrouwen met mutsen en vrouwen met blauw-bloote armen, mannen zwaar in de klompen, kinders bang-starend. Ze bekeken de schraag en het zwartdoek, de wit-strakkende vensters. En toen de kist uit de deur was gedragen, drongen ze op.
Langzaam, wel plechtig, werd het lijk op de schouders getild, rustend tusschen de hoeden.
En achter de dragende buren volgden de vader, de broer en de andre genooten.
Geen Kruger.
Van Dalen was ’r en de ouwe Schoot. Bleek liep