122 KRUGER HELPT BEGRAVEN.
„Kruger die is d’r, meneer!”
„Domme jongen, — loop maar niet zoo hard!” „Is die ’r dan niet?”
„Dat zou ’k niet denke”....
„Nou maar hij is d’r — hij hélpt begrave an die Transvaler” ....
Na-hijgend nog van ’t snelle gedraaf, schoot-ie weer weg, de klompjes als duveltjes vlug, klop-klop,
klop-klop____
Toen kwam een derde voorbij, ’n óüwe visscher met een pet schuin op ’t witte glanshaar, den mond in pruime-gewriemel, de klompen uitwippend achter de paarse hielen. Bij ’t raam knikte die snel, keek halfwege om riep, met krakende stem:
„Kruger die is d’r!” ....
Zonder antwoord te wachten, klompte-die voort naar ’t sterfhuis.
Even bleef ledig de straat. Bij den bakker speelde de kat, strekkend den poot, snel ’m weer krommend. Wrokkig van kruiping drensde rook uit den schoorsteen.
Kwamen drie meiden voorbij, bonkig van heup en van schoenen. D’r haren geknot in een vlassigen wrong plakten om ’t hoofd, d’r vleezige armen gingen in zwaai met roode proppen van handen.
„Mot je niet kijke, meneer?” je schokte je schouders.
„Kruger is over!”....
En ze sleep-sloften weg, de mansvoeten gejaagd naar ’t luiden der klok, de lijven gewiegd, de heupen als mokers zoo sterk.
De straat werd thans druk.
Visschers met kinders en wijven nat van de wasch, scheepmakers vuil van ’t werk, meiden gieglend-gearmd, liepen één zij uit. In al de oogen leken glansjes te lichten, leek ’n beeltenis te spieglen