120 KRUGER HET.PT BEGRAVEN.
licht, ’t licht dat wijd vloeide, z’n verheugingen mateloos gaf.
Het was voorjaar.
Op rigglende strook van ’n dak, tripplend, zoet balanceerend, praatte een vogel. Z’n groenvlammend lijfje dook en verschoot in het gele gepraal van de zon. Z’n staartje wendde met schokken, z’n bekje beet in het licht, slikte het licht, inzoog het licht en z’n keel, als ’n zilveren gurgel, als een driftig beslagen gong, flapte de kreetjes, de praatjes, de schreeuwtjes zóó fel, zóó vol-weeldrig, zóó klaar en transparant dat het een geraket wierd van sprank-lende lichtgeluidjes die het gurgeltje in-spetten en bevende, siddrende fluit-slaagjes die terugschoten en joelend van zwerm de lichtloovers en vonken bevochten.
Benee, in de builen van zand, waar karwielen deuken in het geplavei van den weg hadden gewoeld, stoven de musschen, plonzend in ’t molmige vuil. Pret als ze hadden in ’t bad! D’r vet-grijze buikjes stuipten ze driest, èpwarrlend blaasjes van stof en d’r bekjes piekten dan snel, happend en snappend .... En de een riep d’ander aan tot de zandrige builen bewogen van lustig musschen-geplas.
Achter het raam van den bakker, tusschen de ledige korven, loerde een kat, de oogen heftig van groen, de kop als in steening zoo stil.
Begon de dorpsklok te luiden.
De donkre dreun, zwart van gudsing over de daken, een, twee — een, twee — grijs, zwart — zwart, grijs — doortraagde de straat, sloeg tegen de boomen, de huisjes.
Wij voor het opene venster, bijkants loom onder dat vréémde van voorjaar, beklemd door de zwoele dampingen van den dag, luisterden naar ’t dompe