Ja, het was al voorjaar, voorjaar met voorjaarsge-luiden, voorjaarsluchten, voorjaarszwevingen, voor-jaarsbeklemmingen.
In de lange dorpsstraat met ?r klatergrijze keien en klinkers, met ’r glazige zandbuilen en lauwlijnige stoepbochten, deeën de zwarte boomen als behaarde ouwe mannetjes, koesterend, knokeltjeswarmend, kinnebaktrekkend, rugjeschurkend bij ’t knepperend hemelvuurtje dat z’n warmingen langs de daken schoof, lichtgeulen glansde waar ’n steeg de straat-laan doorsnee en z’n geschijn baldadig en raak tegen de ouwe, vertaande boomgelaten schaterde.
Het was voorjaar.
Alleen in ’t voorjaar konden de takken zóo zwart zijn, zoo zwart en begeerig, zoo stroef en zoo hijgend, zoo oud en zoo teer van staring. Alleen in het voorjaar, het plotsling-öpgullend, opmontrend voorjaar konden de knoesten, de boomrompen met ’r wonden van snoeiïng, zoo ganschelijk stilstaan, zonder ’n vluchtig twijge-getril, énkel stilstaan met broeiende zwarte oogen en gespannen zacht-hijgende monden — alleen in ’t voorjaar had je dat, *t statige, mijmrend aanschouwen, ’t pupillen sparren uit boomkoppen naar licht, ’t weer jonge licht ’t anders gewordene