NIEUWE TIJDEN. iij
van ze zóó innig dat-ie vochtige oogen kreeg als-ie van ze vertelde. Hij hield van ze met de straffe, strenge genegenheid van ’n man met al grijzende haren, die wéét wat leven is en wat er in ’t leven wacht — hij hield van ze ernstig en straffend, grommend bij ’n onvertogen woord, glimlachend bij een frissche kinderdaad. Doch dit zoo vluchtig aangevend, loop ik reeds op mijne bedoeling vooruit. Want ten tijde dezer luttele gebeurtenis waren de jongens nog klein, ging alleen de oudste op de dorpsschool.
Hij was boekhouder, ’s Morgens half acht zaten ze aan ’t ontbijt, de vrouw, het grijzend mannetje, de drie fiksche, gezonde jongens. Dan las hij met zékere, rustige, stilte-opdringende stem een kapittel, bleven de jongens beweegloos, bang voor vader die zelfs geen gebaar wou zien. En langzaam kwam luistring over de gezichten, luistring van diepe aandacht, keken de jongensoogen naar het zware boek met koperen sloten, ’s Middags las vader weer en ’s avonds négen uur, als ze al leien en sliepen, las-ie opnieuw, den ijzeren bril op den sterken neus, het hoofdje gebogen, de grauwe baard bewegend met het gaan der kin. Moeder liet dan de breikous of het verstelwerk rusten. Die keek dan van onder de lamp naar zijn zeker, in het kapittel levend gezicht, z’n gezicht dat zoo trouw en kinderlijk-geloovend, met héél groote oogen, óngewoon glimlachen kon als-ie weèr en nög-eens-weer met verheffing van stem „O, barmhartige God” zeide. Moeder glimlacherde dan ook, zachtjes knikkend en soms als ze hoorde wat ze méér gehoord had, mee-prevelden haar dunne lippen, blij in de heerlijke stemming van drie, drié bengels achter in de alkoof én ’t warme, soezende kamertje én de monotone dreun van die bekende, in élke wending of daling bekende stem die vertrouwend tot Gód sprak....
Schetsen Falkland. VII. 8