Daar zijn levensgebeurlijkheden die men niet gaarne verhaalt, bevreesd voor het vergroven van dingen wier liefheid bij éérst vernemen eene wel zeldzame aandoening gaf. Eén veegje te veel of er naast en de schoone herinneringslijn wordt vervaagd. En dan later, bij de herlezing, bij het zien der gedrukte woorden, die stug en ganschelijk anders geworden, bijkans verwijten, verwijten dat je teer herin-neringsgedoezel door harde, bitse krijt-kontoeren vernielde, dat je van clair-obscur kil daglicht maakte, dat avondschemer-gepraat bij denkende gezichten tot plomp koffiehuis-beweren aandikte — later, leun je spijtig terug in je stoel, verwenscht de rapheid van je pen, die een nog niet geheel bezonken gebeurlijkheid, als ’t ware doortroebelde....
Hij was — ge ziet: ik bied met uitgespreide handen verontschuldigingen aan, alvorens deze nieuwe schets in te luiden — hij was een zéér werkzaam, zeer braaf, zeer geloovend mannetje. Laat getrouwd omdat hij niet kon — muurvast redeneerde hij dat iemand die naar stadhuis en kerk gaat aan kinderen moet denken en voor kinderen vóóral is geld noodig — hield hij bijzonder van z’n drie jongens. Hij hield