KEERZIJ. 109
mij echter geheel in het gelijk. Is mijn hypothese dus gewaagd dat het Woensdag-Zaterdag-Zondag verschijnsel eene organische stofverplaatsing en intieme stof-afscheiding ten gevolgeheeft? Neen, niet waar? Ik mag u echter niet verhelen dat mijne consciencieuse aanteekeningen bepaaldelijk vermelden dat op tien ten honderd de gele zuilen en gele lapjes hun zwarte kleur behouden, omdat dit zwart met de zich in onze domeinen bewegende deelen vergroeid is {applaus). Ik veroorloofde mij het verschijnsel primo als warm weder-verschijnsel te expliceeren; secundo te determineeren, dat er drie variaties bestaan: a de zuiver gele; b de zwarte die geèl worden; c de zwarte die zwart blijven;
; tertio te presumeeren dat alle variaties ongevaarlijk zijn, daar ’n stekende pieterman voldoende is om ’n héél stel op de vlucht te jagen. Overigens ben ik het met den horentoren eens dat het verschijnsel onaesthetisch en hinderlijk is. Soms heeft de zuil een vrij aangename lijn, doorgaands is zij gespekt als een bruinvisch of mager en hoekig als een graat. Beslist vaststaat dat Spencer deze materie onder de bewegelijke zou rangschikken en er voor-loopig van eenigerlei bezieling in de lijn van Haeckel geen sprake mag wezen. Twééde axioma: D it w arm weder-verschijnsel isleelijk, schijnbaar ondoelmatig, vreesachtig en behoort tot de bewegelijke materie. [Applaus) Tot deze gegevens, geachte vrienden en vorschers, meen ik mij voorloopig te kunnen bepalen. Laten wij bij al onze onderzoekingen nimmer vergeten al is Dubois—Raymond zachtjes aan ?t verouderen, desniettemin, zoo we geen zéven grenzen accepteeren, er toch déügdelijk grenzen zijn die aan het Weten