i io KEERZIJ.
der visschen en aan het Weten der water-wezens zijn gesteld.”
De kokkelekaan zweeg en nog was het vin-gekwak en hoera-gehap niet bedaard of een paniek onstond.
Rechtaan naar het centrum der meeting bewoog het onderstel van een badgast.
Reeds stoven de spieringen, melokschen en garnalen, toen een kordate pieterman bijna verheugd uitriep:
„ .... Ziet eens toe — dit is alweder eene uitzon-derings-verschijning. Zoudt ge er niet op zweren dat zich op het kleinste lid (van de vijf leden) der op eene schol gelijkende extremiteit, een parasitisch gewas bevindt dat veel van een schub weg heeft ?”
„Neen,” zeide het poontje: „het is een hoorn-aan-hangsel.”
„Een hoorn-aanhangsel?” vroeg een schar: „met uw verlof: ik laat mij bakken als dit geen schulp in status nascendi is. Er zijn zelfs verschillende lagen zichtbaar”____
De zeer onderlegde en philosophische horentoren, lid van diverse diopzee-maatschappij en, voorzitter der vereeniging tot bevordering van malthusiaansche kuit-formeering, bekeek met aandacht den knobbel op ’s badgasfs kleinen teen:
„ .... Ongetwijfeld hebben wij hier een specimen,” sprak hij: „van een orgaan, dat automatisch zijn rol vervult en mogelijk door zijn dik-schubachtig, derhalve doelmatig karakter, zijn oorsprong uit een vroegere primitieve wilshandeling verraadt” ....
„En toch blijven wij tasten,” zuchtte het poontje.
„Zeer juist,” zei de kwal: „alleen wordt de hypothese versterkt dat er nog andere werelden buiten de onze zijn, ofschoon Water vóór alles noodig lijkt” ....
„Zout water,” zeide de kokkelekaan: „aqua