100 00GENSPEL.
rake jongensstem scheeuwde dat ’t tusschen de huizen schettrend echoode.
Gebogen stond hij op, plooide de krant in ’r vouwen, stapte winkeldonkerte in. In de deuropening zag ze z’n grauwe schaduw, afplompend de over-zijvensters en de lantaarn die daar brandde. En opnieuw dacht-ie an wat zij dacht, ömdat-ie zoo stil en leunend te hangelen stond en ömdat-ie natuurlijk an niks anders kon denken, dan aan dat ééne, dreigende, gruwlijke.
„Johan,” riep ze zacht, opgehitst door z’n zwijgen eerst ónder de krant — nou in de deur.
„Nou dan?” riep-ie terug, wreevlig van stem.
Toen zei ze niks meer, inzwikkend over de tafel, gloeiend van oogen-pijn, zwaar lustloos van plotslinge bloed-leegheid in haar hoofd, niet opkijkend toen-ie de tusschendeur sloot, ’t tulle gordijntje het winkel-donker belei.
Dof, lompig van doen, streek-ie den lucifer af, ’m krommend in ’t vingerhuisje en zoo tasterig stappend op ’t winkeltrapje, lichtte hij ’t glas op, stak de groote lamp aan. Dan, kribbig van pijn, liet-ie ’t smeulend eindje vallen, draaide de lamp lager, bonsde het trapje achter de toonbank.
Langzaam begonnen de vakken te leven, de vakken met netjes gegladde heerenkostuums, de grijze broeken, de confectiebroeken, de rollen lappen en stalen.
’t Was ’n klein winkeltje, maar de vakken leien vol, nétjes gevuld, netjes van egaal plakkende kleuren. En nou ook in de étalage-kast rompten de modellen, de confectie-pakjes, de kostuums op het wit en rose geschuim van vloeipapieren golfjes. De heele étalagekast was vloeipapier, geplooid en gekrinkeld als opgestoven sneeuw en daar over gespreid