219
komt-ie boven. Zijn hemd plakt op z’n bibberend lichaam. De groote vereelte hand wrijft het water uit de oogen.
„Hij zal in den koker gezogen zijn,” roepen ze uit het bootje.
„Kan niet!” schreeuwt de agent, „d’r is roosterwerk voor!”
„Dreg dan wat meer bij den koker!”
„Hou je toch stil mense! Met al je gekles komt ’t kind d’r niet uit!”
„De agent heit gelijk! Nou douw zoo niet! Bè-jij bedonderd!”
Plomp. De andere man is nóg eens te water. „Verdik-me wat heit-ie ’n aasem!”
„Nou kan je zien wat ’n stinkwater ’t is . ..”
.„Je mot je boot wat verhale!”
„Daar heb je ’m!”
De man duikt op. Geen kind. Het volk begint te dringen.
Behoedzaam blijft de agent dreggen. Aan de overzij van het water staan evenveel menschen. Het water ligt als een vijandige doodensloot tusschen de hagen van levende menschen. De modderkluiten schuimen op, drijven in het zonlicht als zwarte verstikkingen. In het bootje zitten de twee verkleumde, klappertandende mannen. Nog eens zal Gerrit het probeeren. De slijmrige modderkringen sluiten boven zijn hoofd. De menigte dringt hoe langer hoe sterker. Jongens zijn in de boomen geklauterd. Uit de ramen der woningen hangen vrouwen in witte jakken, boven rekken met drogend goed.
„Heit-ie’m ?”