220
„Heit-ie’mü!”
„Hij heit ’m!”
„Hoeraa!”
„Verlies ’m niet!”
„ Voorzichtig, Gerrit! ”
„Hij is in de boot!”
„An wal brengen! Gauw an de wal.”
„Jezus, wat ziet het schaap blauw!”
Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomen het bootje naar den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de dooie voetjes.
„Laat ’m los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!” Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen. Modder druipt langs zijn uniformjas. Achter hem aan joelt het volk. Vrouwen, die er niets mee te maken hebben, loopen te huilen. De klompen klotsen op de keien.
„Op zij mense! Op zij dan, godverdomme!”
In een herberg wordt het kind binnengedragen. De deuren gaan dicht. De gordijnen worden neergelaten. Door de kieren kijken ze naar binnen.
„Ze hebben ’m uitgekleed!”
„Zijn tong hangt uit z’n mond!”
„Ze wrijven z’n voeten.”
„De agent haalt z’n armen op en neer...”
„Die heit ’t meer bij de hand gehad!”
„Op zij mense!... Maak dan plaats! Daar heb-ie de dokter” .. .
Een paar nemen de petten af. Een jonge dokter met rood puntbaardje wordt binnengelaten. De deuren vallen dicht. Een tweede agent komt.