2 I 8
haalt-ie op. Alleen slijk en stinkende gasbellen. Het water wordt zwart-bruin gekleurd.
„Springt d'r dan in, Gerrit, met een touw om je lijf!”
„Hoera! Hoera!”...
Gerrit heeft zijn jas en zijn schoenen uitgetrokken. Even staat-ie met het touw om zijn middel op den rand van het bootje. Dan floep. Breede, nijdige kringen cirkelen om de plek waar hij verdwenen is. Groote spattende stankbellen borrelen op.
„Vieren! Meer vieren!” schreeuwen ze van den walkant.
Gerrit komt boven, proestend en hijgend. Modder hangt om zijn haar.
Niks.
Hij wordt in het bootje getrokken. Een ander man springt in ’t modderwater. Stilte van oprechte belangstelling is over de menigte. De man blijft lang onder, verschijnt spuwend en snuivend, maar met leege handen.
„Jezus, Jezus!” huilt de vrouw naast den slagersknecht: „Zoo’n engel van een kind!”
„Ken je de mense?” vraagt de slager.
,,’t Is de jongen van Arie op den hoek ! Een engel van ’n jongen!”
„Weete de mense d’r vani”
„Ze zijn gewaarschouwd ... De man is uit. De vrouw leit van d’r zelve.”
Plomp. Gerrit is weer te water. De gracht is goor-zwart gekleurd. Alle modder en vuiligheid wordt op gewerkt.
„Het-ie ’m? Het-ie ’m?”
Nee hij heeft ’m niet. Vuurrood van inspanning