GEMENGD BERICHT.
De agent ligt languit op den grond, werpt een dreg uit. Telkens groote aandacht als het touw binnen gehaald wordt.
„Hij heit ’m!____ Hij heit ’m!”
Maar een groote mand hangt aan een punt van de dreg.
„Je vangt bot,” lacht d’r een.
„Hou je smoel!” schreeuwt een slager: „mot je d’r mee spotten, als zoo’n stumper verzuipt!”
„Ga liever naar je kroeg, beroerling,” zegt een vrouw kwaadaardig, „heb jij een wurm, zeg! ’t Zal jou je zorg zijn als je heele familie verzuipt!”
Er komt weer stilte.
De agent haalt voorzichtig het touw op. Het is nou het half vergane kreng van een hond. Een zwarte slijkpoel kringt om het rottend beest.
„Durft d’r nou niemand in te springen!” schreeuwt een heer.
„Je ben hier vlak bij ’n koker!” roept een der mannen in ’t bootje: „D’r is ’n zuiging dat je geen vin kan uitslaan!”
De agent gooit de haken weer uit. Drie-, viermaal