2 IÓ
„Nee, snoetje.”
„Geef me een zoen.”
Met de handen om zijn hals geslagen, drukte ze zich tegen hem an. Hij boog z’n hoofd wat neer. Vaag voelde ze dat ze hem troosten moest.
„Hartje... vrouwtje... snuitje... wijfje”...
O, ’t was dan toch niets, als hij d’r zóo zoende. Maar toen ze opkeek, zag ze ’t weer — zijn oogen, zijn g r o o t e oogen, die over haaf hoofd heen keken naar een hoek van de kamer.
Angstig, hokkend van schrik draaide ze zich om, met éen ruk.
„Waar kijk je naar?” vroeg ze rauw.
„Hè, wat ben je nou opgewonden! Ik keek naar niks!.,. Je doe me schrikken.”
„Jij mij ook,” zei ze, terwijl ze begon te huilen, zacht als een kind.