215
hij zoo ruw, scherp de gedachte gehad... de krankzinnige ... vermoeiende gedachte... dat... het... toch... zoo... vreemd... was... dat... alle ruggegraten ... stonden... rechtstandig op... de ronde aarde.. . Had hij dat ergens gelezen... Waar? Waar? — Kon hij zichzelf dan niet dwingen tot gezellig, vergetend leven van een man die werkt en thuis zijn toffels aantrekt, zijn chamberloek, gelukkig is bij het kraakwitte tafelkleed, bij de pruttelende koffie... bij... bij... zijn vrouw. — Maar had hij — wanneer was het geweest — gister-eergisternacht, toen hij wakker werd in de donkere kamer, niet verschrikt geluisterd naar haar ademhalen ... haar wangen bevoeld ... om te weten dat zij er was... haar wakker gemaakt om met haar te... praten... „Jannie”...
Hij schrikte op.
„Wat is er?”
„Er is niets, niets. Wat ben je toch kinderachtig.” „Ik voel dat ’r iets is. Waarom heb je zoo lang — met zulke groote oogen in het gas gekeken?”
„Ach, malle meid!”
„Jannie, toe!”
„Daar, ben je nou tevreden?”
„Nee, ik wil niet gezoend worden, als je geheimen voor me hebt!”
„Er is heusch niks!”
... „Ik heb je oogen nog nooit zoo groot gezien.” „Je bent dwaas... Kom haak het rokje nou af.”
Ze geloofde hem niet. Was er iets op kantoor gebeurd? Een onaangenaamheid. Ze werd ongerust.
„Jannie, is er heusch, heusch niets gebeurd... op kantoor?”