213
„Er is weer een haartje gegroeid op je oor”...
„Gekke meid”...
„Wil ik ’t even afknippen?”...
Ze vroeg ’t zoo kinderlijk-mal, met zoo iets in-ge-lukkigs in haar stem, dat hij lachend knikte.
„Blijf maar zitten... Zit je nagelschaartje in je vest... Nee blijf nou zitten... Ik heb ’t al... Jannie wat een dikkert!... ’t Lijkt d’r wel een uitje snor... Kijk eens!”
Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht.
... „Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd” ...
„Nee, nee, nee, kind... Sta nou op.”
„Is de krant nog niet uit?”
„Nee.”
„Lees dan strakjes verder!... Laat me even zoo zitten.”
Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.
„Prik je niet aan de haarspelden.”
„Nee, snoetje.”
Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven stond als een veer.
„Jannie, wat ben je stil.”
„Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken.”
„Waaran denk je?”
„An niks.”
„Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd.”