212
„Zeker kind.”
„Wat ben je koel, van avond.”
„Hannaatje, doe nou weer geen ontdekkingen! Waar is de chamberloek?”
„Trek je vest ook uit. Je zult het te warm krijgen.”
„Dank je, wijfje.”
Met de muilen an en warm in zijn chamberloek, zat hij in den leuningstoel.
„Is er nieuws?”
„Niets.”
„Heb je de krant?”
„Hier.”
Ze schonk een kopje koffie in, lei zijn pijp optafel, scharrelde rond voor het aschbakje, èn lucifers, èn voor water op de koffie, plukte wat roode draadjes wreg van het tafelkleed en ging over hem zitten, rustig, ijverig hakend aan het wollen rokje en maar niet babbelend omdat hij dan niet lezen kon. Over den gekartelden rand van de krant, zag ze zijn voorhoofd, de inplanting der krullende haren en twee roode oor-tipjes. Er kwam zoo een volkomen gelukkige rust over haar.
Ze wist dat hij er nu was, dat-ie over haar zat, dat de kleine kamer gevuld was van een niet uit te spreken -iets, dat zij ’t zoo altijd zou willen houen — de kamerrust, het witte tafelkleed met de stille ruitjes, het koffieservies, het gasvlammetje en hèm in zijn stoel, zoo dicht bij haar, zoo vertrouwelijk dichtbij, met zijn knie tegen haar aan en z’n voorhoofd boven de krant.
„Jannie”...
„Ja kind” ...