194
volheid had. Blauwe aders waren als stroeve vegen in het wit van den hals. Ze lag als een marmeren beeldje met blauwe marmer-aren. Maar er was een benauwend leven in haar. De oogen, glanzig en wonderlijk groot, keken met sterke uitstraling van leven naar den student, naar den professor, naar de anderen. De dunne, scherp-witte neusvleugels bewogen snel, snél, zonder ophouden. Ze had dood kunnen zijn als de oogen niet zoo brandend van leven geweest waren, als de witte, dunne, doorzichtige neusvleugels niet zoo koortsig hadden bewogen.
Ze lag marmer-mat, wassig bleek op het ijzeren bedje. Toen hij even ophield met vragen, lachte ze flauwtjes om een afbeelding an den wand, om een man met zoo’n kemieken buik. . . Wat ’n gekke plaat. . . zoo’n rare man... En ze zag een student, die zat te schrijven. . . Wat leek-ie op Joopi. .. Net zulleke dikke
koone......Net zulleke kemieke ooge ... ze most
effen lache nou ze an ’m dacht... ze zag ’m nog zitte op ’t stoepie bij de Munt. . . toen die de suikerboon-tjes uit z’n broekzak haalde ... en ze wel stroop leeke .. . zoo nat as ze geworden ware. . .
... „O God, profester . . . niet snijje!” . . .
„Nee, nee, kindje.”
Ze hield de oogen niet af van de instrumenten, stootend ademhalend.. . Hadde ze Toos niet in d’r been gesneje. ..
De professor begon te ausculteeren. Hij luisterde overal met de stethoscoop en zei dingen in ’n vreemde taal... Waarom spraken ze nou Frans?... Waarom klopte ze d’r op d’r borst... Je kon je lache haast niet houen.. . Net of-ie tegen ’n doos klopte... Wat