193
Professor schoof het hemd naar beneden . .. „Niet bang zijn kindje” . . .
„Wor ik nou heusch niet gesneje?”
„Wel nee, malle meid. . . Zoo blijf nou rustig liggen. . . Wil u beginnen te vragen, mijnheer?”
Aarzelend, ’t zelf nog vreemd vindend, begon de student.
„Hoe is je naam?”
„Rika Bosch” . . .
„Hoe oud ben je?”
„Veertien in December” .. .
„Leven je vader en moeder nog?”
„Vader is dood” . . .
„Waaran is-ie gestorven?”
„Weet ik niet” . . .
„Is je moeder gezond?”
... „Ze was gister verkouën” . . .
Het doezelig November-licht scheen rustig in de kliniek-zaal. Sterk-verlicht stond het ijzeren bed met het meisje, omringd door de studenten. Alleen de stemmen van den vragenden student, het kind, soms die van den professor klonken.
De roodgloeiende kachel pruttelde, een voet werd verschoven, een blaadje papier ritselde, een harde, puntige pen kraste op een boek. Op een der drie lange, bruine tafels glimmerden kantige schamplichten van instrumenten, kolven en flesschen. Geen geluid kwam van de binnenplaats.
Waswit lag zij in het bed. Het zwarte haar was netjes weggestreken onder het witte mutsje. De muts was strak-witter dan het gezicht, dat al zijn jeugdige
SCHETSEN. 13