igo
„Joseph, wat kijk je triestig!”
„Heb je gezien, Herman, dat de gordijnen neergelaten waren ?”
Ja”...
„Waarom dee ze dat ?... D’r kan toch geen .. . ongeluk gebeurd zijn?”
„Nee.”
„Hoe weet je dat?”
„Omdat ik van morgen bij haar was.”
Jij?”
„Ja... op ’t laatste oogenblik wilde ik nog probeeren”...
„Dank je!”
„Ze wou niet.”
„Dat dacht ik wel.”
„Je zuster Anna was d’r ook en heeft staan huilen om d’r over te halen. — Ze was niet te bewegen. — Nou heeft ze iets .. . leelijks gedaan” ...
„Wat dan?”
„Het zal je hinderen om ’t te hooren”...
„Later hoor ik ’t toch... Zeg ’t maar ronduit!”
„Ze zei... as-die om elf uur trouwt, ga ik om elf uur sji wwe-z itten” 1).
„Heeft ze... dat... gezegd ?...”
„En gedaan... Ze zei: nou is-ie dood voor me. Achter de gordijnen zat ze sjiwwe.”