188
„Omdat ik eerbaar ben... en niet wil worden nagewezen om mijn schoondochter!”
„Geef je toestemming... het is zoo vreemd om te breken met jullie ... Over zes maanden... ’n jaar... spreekt niemand er over.”
„Nee, nee, nooit!”
„Denk d’r wel over, moeder... we gaan voorgoed van elkaar.”
„Zooas je wilt! Zooas je wilt! Kinderen zijn d’r nou eenmaal, om ondankbaar te zijn... om alles te vergeten... Hier in de kamer, waar het portret staat van je vader, waar zijn tefille 1) leit, waar die gewoond en geleefd heeft as eerlijk, fatsoendelijk man, ontvang ik geen schoondochter, die zal kleuren as ze voor me staat... ik zou niet meer naar zijn graf durven... Later zul je me op je knieën danken, dat ik je terug-gehouen heb, dat ik je gewaarschouwd heb, je niet te vergooien!”
„Dan zie je me voor ’t laatst!”
„Ik wil geen hand van je!”
„Geef me je hand... Je weet nooit wat gebeuren kan”...
„Nee.”
* *
*
Het was een korte ceremonie.
Ze reden van ’t Stadhuis terug. Het rijtuig rolde snel, gevolgd door twee andere met getuigen. Met haar hand in de zijne, onnoodig-opgewekt, uit zenuwachtigheid, zat hij in de trouwkoets.
1
Gebedenboek.