i87
den Eeuwige niet ijdellijk uit. . . Denk an de geboden . .. Eer uw vader en moeder, opdat uwe dagen verlengd worden!”
„Ja, ja, dat weet ik, dat weet ik. .. Die klets! Ik zal nemen de vrouw, waarvan ik hou, de vrouw, aan wie ik wat goeds kan doen, die ik oprichten kan uit d’r verval, de vrouw die nog onbedorven is, al beschouwen jullie dat anders, de vrouw van wie ik hou, hou, hou, de vrouw die voor mij geen fatsoen, geen onfatsoen heeft, omdat ik van d’r hou, die niet slecht kan zijn, omdat ik van d’r hou, die geen verleden heeft, omdat ik van d’r hou!... En als je ooit liefde gekend heb... dan begrijp je dat, dan voel je dat en dan hou je niet tegen, wat toch niet tegen te houen is!.. .” „Joozep, Joozep... herinner je de Vrijdag-avonden, als je vader zat in z’n leunstoel... als ’t witte tafelkleed op de tafel lei... en de kaarsen brandden ...”
. .. „Huil nou niet, moedertje. Je begrijpt zoo weinig, zoo niks van de dingen van ’t leven, zooals wij dat doen!... Er kan toch geen schande in zijn, een vrouw tot je huisvrouw te nemen, als je houdt van elkander! Is dat niet alles voor ’t huwelijk? Wat heb je meer noodig? Als je dat niet begrijpen kunt, omdat je zoo heel anders bent opgegroeid, omdat je zoo streng, zoo raar bent in je gedachten over fatsoen. . . zeg dan ja... voor den vorm.., ontvang d’r niet... zoen d’r niet... beschouw d’r as een vreemde..., tot je anders heb leeren denken!... Want ik trouw d’r, zoo waar ik het leven heb!”
„Dan hoeven wij niet verder te praten.”
„Waarom doe je dat harde . .. mij te plaatsen tus-schen jou... en haar?”