163
„Ik kan niet. Mijn arm brandt. Steek het licht op! Steek het licht op! Waarom laat je me in het donker liggen?”
„Je droomt Richard . . . De lamp is opgestoken” ...
„Niet waar. Steek de lamp op! Waarom stook je hier zoo! ’t Is om te stikken, om te stikken! Schuif het raam op!”
„Is ’t zoo goed?”
„Steek de lamp op! Waarom loop je van me weg!”
„Hier ben ik, vlak bij je bed.”
„Dat ben jij niet. . . Jij bent ’t niet.. . Blijf van
me af... Bijt me niet in mijn arm... Laat mijn
arm los!”
„Richard! Richard!”
„Het is koud!... Heb jij ’t ook zoo koud? Geef me nog een deken... Ik klappertand van de kou . .. Ben jij daar Hec ? Kom eens hier. Hec! Hec!
Hec! Hec!”
In de keuken begon de hond, die zijn naam hoorde, te blaffen en met de pooten tegen de deur te
krabben.
„Hec! Hec!”
„Laat den hond in de keuken, Richard!”
„Nee, nee! Hij moet hier komen! Ik wil hem zien! Hec! Hec!”
Haast huilend van angst, dee ze de deur open. De hond sprong jankend naar binnen, naar het bed, lekte de vrije hand van den zieke.
„Richard, ga nou slapen, blijf nou rustig.”
„Wie ben jij?.,. Waar is mijn vrouw?... Wat moet jij hier?... Ga weg van mijn bed! Ga weg!”...
„Doet je dat goed?”