164
Zachtjes lei ze compressen op zijn voorhoofd. Hij kalmeerde wat.
„Hoe is het met onzen zieke, mevrouw?”
„Slecht dokter. Hij ijlt. Strakjes herkende hij me niet... Zijn arm is zoo vrééselijk geworden!”
„Laat me maar eens zien.”
Zij lichtte hem bij met de lamp.
*t Is erg ... Nee, zet asjeblief de lamp neer. U beeft zoo. Gaat u liever zitten.”
„Moet de arm” ...
„Nee mevrouw.”
„Wat dan, wat dan!”
„De arm afzetten kan niet meer helpen, had niet kunnen helpen... U moet u voorbereiden.”
„Maak me niet krankzinnig dokter!”
„Voor zulk een acuut proces was geen remedie mevrouw” . ..
„O God!”
^ 'f
*
Den volgenden morgen was het afgeloopen. Zoo’n paar jonggetrouwde mense!.. . Zoo’n beroerde hond ... Dat heb je d’r van als je van die opvreters in huis neemt...
* *
*
Ze had nog niet gehuild. Ze bleef angstig-kalm. Net toen Dirk wat zeggen wou van Richard, begon de hond in de keuken langgerekt te janken. Dirk werd bleek. „Dat vervloekte beest,” zei-die.
Flauwtjes hoorden de vrouwen hoe hij het dier ranselde, „’k Heb ’m z’n portie gegeven!”