162
„Zeker, dokter.”
„Zoo. Dit recept moet je dadelijk laten halen. Je wikkelt je warm in. Tegen den avond kom ik terug.” „Vanavond nóg eens?”
„Ja. Laten we hopen, dat ’t dan wat beter is. Anders”...
„Anders?”
„... Zou ik den arm moeten afzetten!”
„Ach dokter, doe dat niet. Moet hij zijn heele leven verminkt blijven!”
„Rustig, mevrouwtje. Vanavond kom ik nog eens naar uw man kijken. Het ergste zal wel niet moeten gebeuren.”
Zij liet hem uit.
„Dokter... als ’t niet beter wordt, moet zijn arm dan”...
„Ja mevrouw. Ik maak me werkelijk bezorgd over het geval.”
„O dokter, dokter!”
„Niet huilen, mevrouwtje.”
„Hij kan toch niet dol” . ..
„Nee, neen! Ik denk, dat de hond kort te voren van het een of ander vuil gegeten heeft... In elk geval heeft er bloedvergiftiging plaats gehad. Laat hem de poeders om de twee uur innemen.”
„Dag dokter.”
„Dag mevrouw.”
*
* *
Tegen den avond werd hij onrustiger.
„Richard blijf nou kalm liggen.”