Hoorde ze voetstappen nu, sluipende voetstappen, punten van voeten die tegen de koperen roeden stieten - hoorde ze een looper zachtkens piepen en een deur scharnieren... bleef ’t verder stil, angstig stil.
Wie was ’r boven gekomen? Wie - zonder schellen...?
Wit, onbewogen zat ze toen de deur open werd geduwd.
Hij was ’t niet.
Schoonvader, norsch, met de vreeselijke tijding op z’n gezicht, stoof binnen.
Ze hoefde niet te vragen.
Hij zei dadelijk, zonder complimenten: ‘Mis.’
‘O, O/ zei Coba versuft.
Met de lippen geschroefd van kwaadaardigheid, liep hij op en neer. ‘Waar is Edi?’ vroeg ze zacht.
‘Edi! Edi!’ snauwde hij: ‘Vóór! Durft ’t je niet te zeggen! De stommerik. Die dokter van ’t jaar nul...!’
Haar tranen bedwingend - strak van ontzetting - nam ze het pakje met de visitekaartjes, stak het in den zak en licht bevend knoopte ze het oude touwtje om het vettig bordje, Edi Bing, Arts.
‘Smijt ze in ’t vuur!’ gromde de oude heer: ‘eerste acht jaar niks uitvoeren - dan ’n vrouw die ’m van z’n werk houdt!’
Ze antwoordde niet, keek triestig naar de rozen, de boschviooltjes, sloop naar de voorkamer, waar moeder bedrukt zat èn Edi.
‘Lieve, goeie Edi - ’k trek ’r me niks van an,’ zei ze, z’n gebogen bleek hoofd dat niet meer aan studie gewend was, in haar handen nemend.
’t Rijtuig met Henk en Johan in d’r rokken hield voor de deur stil.
AANZOEK
De tochtdeur scharnierde klagend - de stok ketste in den standaard - pa kwam binnen.
Hij kwam binnen met perzikkleurtjes op de dikke wangen - hij kwam binnen met onrustig neusgesnuif - hij kwam binnen met
135