PERROL MET DE ROODE HAND. 93
Snel omkijkend, stikte-die bijna in z’n slok wijn.
De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel op en doofden omdat er niets meer te branden was.
Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.
„Onze vleugels zijn verbrand,” hakkelde-die, de ledige alluminium-latten voorzichtig betastend: „hoe komt dat?”
Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur, ’t plots vastgeklonken zitten aan den toren van Koepelsteyn, zonder ’n kansje den verachten beganen grond te kunnen bereiken, de donderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek, versteende tong en gebaren van mevrouw en Amélie.
Dat zou ongekend lang geduurd hebben, hadde Amélie niet bakvischachtig-onhandig ’t sléchtste woord voor de situatie gekozen.
„Nee — die is éénig,” zei ze perplex.
„Eenig!”, barstte mevrouw dadelijk los, de kip-pekluif wild wegwerpend — zéér ondoordacht — : „Eenig, da’s je vader z’n stomme schuld! As-die z’n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee maar daar zitten we nou, hoog en droog — hoog en droog!” ....