92 ZESDE KAPITTEL.
de haal — u ziet 'r uit als ’n struikroover bij de kaars”....
„Hahaha,” bulder-lachte meneer, z’n zakmes zwaaiend: „denk maar dat kKoepelsteyn ben, de laatste der Koepelsteynen! Straks vlieg ik na benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen, kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen — geen haan die ’r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt t tegen ons af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken ...
„Piet hou op met je ènge praat!”, verzocht mevrouw.
Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuur-menschen.
Toen, door ’t dolle heen, hief de heer Zwaluw den wijnkroes omhoog, en voor 't eerst van z’n leven speechte-die studentikoos: „Vliegers — éérste vliegers van Holland — op de tinne van deze oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij pad vlinders en mensch vogels, kluivend en fuivend, als arenden in ’t arendsnest...
Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde uiet verder te gaan, want het werd plots zonderling licht op ’t toren-plateau.
„Piet!” —, gilde mevrouw.
„Pa!” —, krees ch Amélie.