94 ZESDE KAPITTEL.
„Ja wèl hoog,” zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend: „"We zijn gepiept.”
Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarenheid. Men spreekt niet van dood in ’t huis eens gehangenen, men vermijdt jargon als ’n vrouw óver ’r zenuwen heen is.
„Gepiept,” herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om ’r gèk-van-’n-man te vernederen: „gepiept — gèpièpt —hij heeft 'r pleizier in! Had me niet je krankzinnige machines öpgedrongen — dan kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in ’t huis — dan brand op ’n toren. Twéémaal brand! Tweemaal! Mij goed — mij best — als 'k maar niet den naam van 'n brand-stichtster krijg!”
De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z’n mond. De logica van z’n opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen inCasa Cara — dan verbrande vleugelen op Koepelsteyn — *t dee je benauwend aan 't gestreng-ontstemde gelaat des burgemeesters denken.
„We bóffen niet,” zei-ie, na ’n contemplatieve rust:
„’k begrijp op me woord niet dat mijn sigaar ”
„Nee, *t was de mijne,” sprak mevrouw bedaard-vernietigend: „as je maar zórgt dat ik van nacht in m’n bèd kom” ....
„Ja, daar dien *k voor te zorgen,” praatte meneer