PERROL MET DE ROODE HAND. 91
De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in ’n hoek.
„Om te zoenen zoo uitgezocht,” zeide Pieter. „*k Heb in geen tijd zoo’n trek gehad!”
Z’n sigaar weg-werpend, dat ’t vonken regende — wee, wee! — knipte-die z’n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen niet vond, hield Amélie de kaars bij en als ’t kaarsvet dan neerklukte op pa’s decoupeerende hand, lachten ze als roovers.
Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen A. Z. in t zilver gegraveerd, waaruit Amélie’s dorstig mondje melk met gort-water had gedronken.
„Nou knappen we eerst de sardines,” zei meneer, de olieachtige brokken uit de doos peuterend: „en dan de kip. De afgekloven beentjes legateeren we aan de schim van Koepelsteyn.”
„’t Is heusch ’n aardig zitje,” zei mevrouw toehappend : „’t ruikt alleen ’n beetje gebrand. D’r kan benee toch niks smeulen ?”
„Da’s n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand,” zei meneer, zwaar happend bij ’t wapperend kaarslicht, dat z’n gelaat bizar be-vlamde.
„Pa,” ginnegapte Amélie: „als de Leurings of de Spaarns u zóó zouen zien, gingen ze an