90 ZESDE KAPITTEL.
„nou weet *k wel zéker dat we ’n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand in Holland” ....
„Piet — op me woord — ’k ben bang,” sprak mevrouw: „je had me net zoo goed in ’n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte hier krioelt!”
„Dat zullen we dadelijk zien,” lachte Pieter, uitgelaten, „overburen hebben we niet, geef me je acetyleen!”
„Asjeblief,” zei mevrouw, blij dat’r licht kwam. „Zoo,” zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend : „geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je maar wenschen kan.”
„Mag 'k niet is beneden kijken, pa?”
„Je mag wel, maar je kan niet,” praatte pa vroolijk: „’t luik is benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek ’k ’n kaars op. Anders verrajen we ons nog”....
Mevrouw begon r ook schik in te krijgen.
’t Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid ’s nachts op ’n ruïne picnicte, dat ze zelf mee hielp dekken.
De flesch wijn kwam midden op ’t servetje te staan — daaromheen de halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.