68 VIERDE KAPITTEL.
Als ’r in ’t wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze ’r pret in fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid viel *rin de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat peerdrupsjes naar de menigte benee meppen — ’theele toetje waagde ze ’r an, maar niemand die ’t bij de sterren zocht.
Toen probeerde ze nog even op ’n telephoon-draad te loopen, netjes ’r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den knal van ’n champagnekurk in krullen flapte.
„Kind/’ zeide ma, thans werkelijk uit ’r humeur : „je stelt je an als een kwaje meid!”
„Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!”, lachte Amélie en weer voort-peddelend, haalde ze als ’n nachtegaal uit: Z walüüüüüw hoog in de lüüüücht..”
’t Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig toebonsde.
Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet ’t zoldervenster open.
„"Wat is ’r gebeurd?” —, bulderde meneer, hartstochtelijk binnen-vliegend.
Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.