DE VILLA WORDT BERUCHT. 67
die wel den heelen nacht had willen trainen, gedragen op de vleuglen van geestdrift en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.
Kalmpjesachterblijvendofklepperendin’nandere richting, neuriede ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes .... „Auf Flügeln des Gesanges, Herzliebchen trag’ ich dich fort” — of „Ich wollt’ ich w&r’ ein Vögelein....” — of „Klein vogelijn
op groenen tak ”
„Hou op met je gezeur!” — , gromde meneer, „zing als we in huis terug zijn!”
Dan zweeg ze even, tot ’r n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze plots tot 'r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te pakken kreeg.
Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën: „Zwaluw, hoog in de lucht — waarheen is uw vlüüüüücht!”.... Adrem-mer kon ’t niet. ’t Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig als ’n veertje, zich niets aantrekkend — hemeltje lief, pa was naar alle kanten geassureerd ! — en zong ’t lied met z’n stijgende bekoring „ .... Zwaluw, hoog in de lüüüüüüücht. ...”
Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als ’n kwajongen.