66 VIERDE KAPITTEL.
dronkenheid verpratend — de afspraak was dat ze tegen ’t dakraam zouen kloppen — de familie is gevlogen....”
„Gevlogen!” —, schrikte de burgemeester, „waarom gevlogen?”
„Dat weet ’k niet,” zei Kobus nog eens.
„De vent is dronken,” veronderstelde de dokter.
„Maar ze moeten toch èrgens zijn,” redeneerde de burgemeester: „’t is een lamme, vèrdachtehistorie — bijzonder verdacht.”
Terwijl dit detective-story-geraas de rust van Casa Cara benéden de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden de Zwaluwen in wijde cirkels om 't overrompeld nest.
Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden neerknetterend op de hoofden der Brandweer.
Mevrouw, bek-af, hijgend als in 'n tredmolen, had al ’n paar maal op ’t dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel, maakte 't zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van te worden, ’n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren — de meiden leegden ’r alles in — haardotten kleèfden aan je bottines — n tiendubbele schande!
Amélie, die ’t geval éénig, om te zoenen vond,